31-01-2011
SOCIAAL
TRP
Hoger beroep
CRvB 110128 09-358 Vergeefse beroepen op het door SVB gevoerde buitenwettelijk beleid t.a.v. termijnverlenging van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening
Zie tevens: LJN: BP2566; BP2471; BP2562; BP2558; BP2550; BP2560; BP2555; BP2565; BP2557.
De CRvB is bevoegd in hoger beroep te oordelen over geschillen met betrekking tot de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (TRP). Er is sprake van een fatale termijn voor het indienen van een aanvraag ondanks dat de Svb de uiterste aanvraagdatum uit coulance een aantal malen heeft verschoven. Niet gebleken dat de Svb de met buitenwettelijk begunstigend beleid op één lijn te stellen bestendige gedragslijn niet consistent heeft toegepast. Overschrijding aanvraagtermijn niet verschoonbaar.
31-01-2011
FISCAAL
Eerste aanleg - meervoudig
Rb Arnhem 110127 09-1395 Art. 11, lid 2, Rijnvarendenverdrag staat in de weg aan art. 17 Besl. uitbr. en bep. Verzekerden vv. Belanghebbende is premieplichtig voor de NL volksverzekeringen
Art. 11, lid 2, Rijnvarendenverdrag; art. 17 van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen Belanghebbende is in loondienst bij een Luxemburgse vennootschap en in die hoedanigheid te werk gesteld op een schip dat eigendom is van een in Nederland gevestigde vennootschap. Voor het schip is een Rijnvaartverklaring afgegeven. De eigenaar van het schip moet als exploitant van het schip worden aangemerkt. Belanghebbende is daarom verzekerd en premieplichtig voor de Nederlandse volksverzekeringen. Art. 17 van het Besluit uitbreiding en beperking verzekerden volksverzekeringen maakt dat niet anders.
28-01-2011
CIVIEL
art. 9.6 FPU
Hoger beroep
Hof den Bosch 110111 200.037.669 Geen schending vertrouwensbeginsel door in ABP-beschikking abusievelijk obv oude regels vastgestelde bijverdienmarge aan te passen aan art. 9.6 (1-1-2005 nieuw) FPU
ABP verlaagt het bedrag van de bijverdienmarge voor appellante op basis van het met ingang van 1 januari 2005 geldende nieuwe artikel 9, lid 6 FPU-reglement, terwijl in de toekenningsbeslissing van 2 februari 2005 een hogere bijverdienmarge was vermeld op basis van het tot 1 januari 2005 geldende artikel 9 FPU-reglement. Géén sprake van door ABP opgewekt vertrouwen.
28-01-2011
CIVIEL
Hoger beroep
Hof den Bosch 110111 200.039.492 Bpf Schoen- leder en lederwarenindustrie heeft de ivm pvi geïndexeerde pensioengrondslag van appelllant op de juiste wijze vastgesteld
Werknemer ([geboortedatum] 1941) is met ingang va 10 juli 1998 arbeidsongeschikt voor 80-100% en is met ingang van 1 november 2006 met pensioen gegaan. Werknemer betwist het bedrag van het ouderdomspensioen, zoals door Pensioenfonds is berekend. Hof gaat na of Pensioenfonds de opgebouwde aanspraken en daarop vallende indexeringen juist heeft vastgesteld op basis van het voor werknemer geldende pensioenreglement. Hof raadpleegt pensioenregelement op www.bpf-psl.nl.
28-01-2011
FISCAAL
art 3.25 IB
Cassatie
HR 110128 10-00650 VPB. Vormen van een voorziening ter zake van een seniorenverlofregeling niet toegestaan
Wet op de vennootschapsbelasting 1969; artikel 3.25 Wet inkomstenbelasting 2001; goed koopmansgebruik; vormen van een voorziening ter zake van een seniorenverlofregeling niet toegestaan.
28-01-2011
FISCAAL
Cassatie
Concl. A-G 101223 09-00798 Door werkgever op het netto loon van werknemer verhaalde WGA-premie vormt negatief loon
Inhoudsindicatie: Conclusie PG: De werkgever van belanghebbende heeft in de maand januari 2007 een bedrag van € 3.164,92 als loonheffing ingehouden op diens loon. Hij heeft voorts op het nettoloon van die maand een bedrag verhaald van € 6,57. Dit betreft een deel van de door hem als werkgever verschuldigde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas. De Werkhervattingskas dient ter financiering van de lasten van de werkhervatting door gedeeltelijk arbeidsgeschikten en is ingesteld met het oog op de uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het verhaal van de werkgever (hierna: de WGA-bijdrage of verhaalde WGA-premie) vond plaats op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van loonheffing. Hij meent dat de WGA-bijdrage op het brutoloon in plaats van op het nettoloon had moeten worden verhaald. Doordat op het nettoloon is verhaald, is het fiscale loon volgens hem te hoog vastgesteld waardoor € 3,42 teveel loonheffing is ingehouden. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verhaalde WGA-bijdrage als een uit de dienstbetrekking opkomend nadeel voor de werknemer is en derhalve als negatief loon moet worden aangemerkt. Het Hof daarentegen vindt dat geen sprake is van negatief loon omdat het de bedoeling van kabinet en Tweede Kamer is de verhaalde WGA-premie niet in aftrek toe te laten op de grondslag voor inhouding van loonheffing. De WGA-bijdrage is volgens het Hof evenmin aftrekbaar ingevolge artikel 11, eerste lid, onderdeel j, ten tweede of ten vierde, van de Wet op de loonbelasting 1964 omdat het in die bepalingen gaat om ingehouden premie en niet om verhaalde premie. Advocaat-Generaal Van Ballegooijen onderzoekt eerst of de verhaalde WGA-premie aftrekbaar is op grond van genoemd artikel 11, eerste lid, onderdeel j, ten tweede of ten vierde. Hij is van oordeel dat deze bepaling geen toepassing kan vinden. Daarna onderzoekt hij of het WGA-verhaal kwalificeert als negatief loon. Dat is volgens hem het geval. Het verhaal van de werkgever van een deel van de WGA-premie komt neer op een betaling door de werknemer aan de werkgever. Hij is verplicht te betalen op grond van zijn arbeidsvoorwaarden, dus ingevolge zijn dienstbetrekking, zodat de betaling voldoende causaal daarmee samenhangt. Wellicht ten overvloede: het gaat om een verplichting die rechtstreeks verbonden is aan het genieten van positieve inkomsten in de zin van Hoge Raad BNB 1993/144. Het verhaal op de werknemer van een deel van de werkgeverspremie WGA kwalificeert niet als een werknemersstorting voor een aanspraak op uitkeringen en volgt dus niet het regime van genoemd artikel 11. De betaling heeft het karakter van een korting op het loon en vormt geen besteding daarvan door de werknemer in de privésfeer; het ingehouden bedrag blijft in de loonsfeer. Het beroep in cassatie is volgens de A-G dan ook gegrond.
28-01-2011
FISCAAL
Cassatie
Concl. A-G 101223 09-05031 Door werkgever op het netto loon van werknemer verhaalde WGA-premie vormt negatief loon
Conclusie PG: De werkgever van belanghebbende heeft in de maand maart 2007 een bedrag van € 947 als loonheffing ingehouden op zijn loon. Hij heeft voorts op het nettoloon van die maand een bedrag verhaald van € 11,64. Dit betreft een deel van de door hem als werkgever verschuldigde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas. De Werkhervattingskas dient ter financiering van de lasten van de werkhervatting door gedeeltelijk arbeidsgeschikten en is ingesteld met het oog op de uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Het verhaal van de werkgever (hierna: de WGA-bijdrage of verhaalde WGA-premie) vond plaats op grond van artikel 34, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de inhouding van loonheffing. Hij meent dat de WGA-bijdrage op het brutoloon in plaats van op het nettoloon had moeten worden verhaald. Doordat op het nettoloon is verhaald, is het fiscale loon volgens hem te hoog vastgesteld waardoor € 5,67 teveel loonheffing is ingehouden. De Inspecteur heeft het bezwaar ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verhaalde WGA-bijdrage aftrekbaar is van het brutoloon ingevolge de duidelijke tekst van artikel 11, eerste lid, onderdeel j, ten tweede, van de Wet op de loonbelasting 1964. Het Hof daarentegen vindt deze tekst voor tweeërlei uitleg vatbaar en is van oordeel gezien de bedoeling van de wetgever dat aftrek niet mogelijk is. De WGA-bijdrage is evenmin negatief loon volgens het Hof, omdat de WGA-bijdrage niet als een terugbetaling van eerder genoten loon kan worden aangemerkt of als een schadevergoeding ter zake van het niet (voldoende) nakomen van uit de dienstbetrekking voortvloeiende verplichtingen. Advocaat-Generaal Van Ballegooijen onderzoekt eerst of de verhaalde WGA-premie aftrekbaar is op grond van genoemd artikel 11, eerste lid, onderdeel j, ten tweede of ten vierde. Hij is van oordeel dat deze bepaling geen toepassing kan vinden, omdat het in die bepalingen gaat om ingehouden premie en niet om verhaalde premie. Daarna onderzoekt hij of het WGA-verhaal kwalificeert als negatief loon. Dat is volgens hem het geval. Het verhaal van de werkgever van een deel van de WGA-premie komt neer op een betaling door de werknemer aan de werkgever. Hij is verplicht te betalen op grond van zijn arbeidsvoorwaarden, dus ingevolge zijn dienstbetrekking, zodat de betaling voldoende causaal daarmee samenhangt. Wellicht ten overvloede: het gaat om een verplichting die rechtstreeks verbonden is aan het genieten van positieve inkomsten in de zin van Hoge Raad BNB 1993/144. Het verhaal op de werknemer van een deel van de werkgeverspremie WGA kwalificeert niet als een werknemersstorting voor een aanspraak op uitkeringen en volgt dus niet het regime van genoemd artikel 11. De betaling heeft het karakter van een korting op het loon en vormt geen besteding daarvan door de werknemer in de privésfeer; het ingehouden bedrag blijft in de loonsfeer. Het beroep in cassatie is volgens de A-G dan ook gegrond.
27-01-2011
CIVIEL
art. 7:685 BW
Eerste aanleg - enkelvoudig
Ktr Tilburg 110127 10-462 Ontslag arbeidsongeschikt hoofd financiën en PZ wegens bedrijfseconomische omstandigheden. Onbindingsvergoeding € 70.000 obv C=0,6 ivm ‘habe nichts”
Wetsverwijzing: artikel 7:685 Burgerlijk Wetboek. Trefwoorden: ontbinding, bedrijfseconomische omstandigheden, habe-nichts/habe wenig-verweer. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische omstandigheden. De kantonrechter weegt het habe-nichts/habe wenig-verweer mee in de correctiefactor van de kantonrechtersformule. C=0,6.
27-01-2011
FISCAAL
art 4. AWR
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rb L’warden 110106 09-985 Ondanks huurhuis en auto in NL bevindt het duurzame middelpunt van eisers persoonlijke levensbelangen zich in Portugal
Artikel 4 AWR. Woonplaats. Eiser verblijft een aantal weken per jaar in Nederland voor medische behandeling. De rechtbank is van oordeel dat het duurzame middelpunt van eisers persoonlijke levensbelangen zich in Portugal bevindt.
26-01-2011
BESTUUR
Hoger beroep
RvS 110126 201003640 Het genieten van een hoger pensioen uit Dld dan arbeidsinkomsten in NL verhindert niet dat sprake is van verplichte verzekering voor de AWBZ. Fiscaal beleid n.v.t.
Bij besluit van 5 februari 2010 heeft het college geweigerd aan [appellant] een verklaring als bedoeld in artikel 21, zesde lid, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: het Besluit) over het jaar 2007 af te geven.